2015 boekbespreking voor Den Haag Centraal: Op klompen door de dessa, oud-Indiëgangers vertellen

Den Haag Centraal vrijdag 29 mei 2015 pagina 5 - Uit de kunst, door Jill Stolk
hier in pdf
Tijdens de intens hete zomer van 1947 legt de elfjarige Hylke Speerstra zijn oor te luisteren boven een droogtescheur in de Friese kleigrond. Kan hij horen wat zich aan de andere kant van de aarde afspeelt? Kan hij horen 'hoe onze tien Tjerkwerder jongens op die gemene, bruine patjakkers schieten?' Patjakkers, gemene kerels, of ouder, uit het Maleis 'bajak', zeerover, is zeker geen woord dat de jonge Hylke in de mond neemt; hij is naar eigen zeggen nog 'onbedorven van hart'.

 

Het is de bereisde Germt van der Wal, in zijn tbc-tentje, die het woord bezigt. Hylkes vader neemt zonder meer aan dat zijn zoon ook boer zal worden, maar het bewerken van de grond staat de jonge Speerstra tegen. Na de landbouwschool en de ulo bekwaamt hij zich in de journalistiek en wordt uiteindelijk in 1989 hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant.

 

In 1948, als er al zo'n vijftig jongens uit de buurt in Oost-Indië zitten, rept diezelfde krant met geen woord over Indië en de honderdduizend jongens die samen met vijftigduizend KNIL-militairen verwikkeld zijn in de politionele acties, ook wel politiële acties genoemd. Dit militaire ingrijpen in de voormalige kolonie, verdeeld over twee pogingen van het Nederlandse leger om Indië als wingewest terug te veroveren, speelt zich af op Java en Sumatra, vlak na de Tweede Wereldoorlog, tussen augustus 1945 en december 1949.

 

Hylke Speerstra, foto M. Doomernik
Hylke Speerstra
foto M. Doomernik
frontcover
Kameraden
Bij Gerrit Baard (1926) hangen twee krissen, Indonesische dolken, aan de muur. Baard weet hoe de Indonesiërs ermee omgingen. "Ze staken er zo mee in het lichaam, draaiden hem dan een halve slag en trokken hem er weer uit. Voordat ze ermee staken hadden ze de dolk eerst in een rottend beest geduwd". Speerstra weet dat hij met directe vragen bij Baard tot de kern kan doordringen. "Hoe komt u eraan?", treft doel. "Zolang die dingen daar hebben gehangen, heeft niemand mij ooit die vraag gesteld. (...)" en vaak dacht ik: "vraag dan verdomme, dan kunnen die dingen daar weg".

 

Ook vraagt de omgeving niet naar Baard's steeds terugkerende droom over zo'n rotpatrouille, waarin hij met vier kameraden regelmatig door lauw sawawater lopend, zich van alle kanten bedreigd weet. Bij een behouden terugkomst in het kampement speelde Baard accordeon en werd er 'Waltzing Matilda' gezongen. Wanneer de patrouille een man verloren had - kwijtraken was erger dan dood (je wist niet wat de vijand met je kameraad uitspookte) - zongen de mannen ook, maar na anderhalf uur waren ze stomdronken.

 

Bij thuiskomst kan Gerrit zijn krantlezende vader en breiende moeder niet vertellen wat hem overkomen is. Later, in zijn eigen gezin, kan Baard alleen maar hard werken, altijd werken. Als hij dat niet doet, komt het spokende Indië te veel naar boven. Klaas Soeten (1925) heeft direct na aankomst in Indië de hondenwacht. Hij draagt de verantwoordelijkheid voor twaalf kameraden die in het bivak onder hun klamboe liggen te slapen. Een slang krijpt over zijn dienstschoenen, hij ruikt zijn eigen angstzweet. Wie besluipt hem in de tropennacht? Vlak naast hem duikt de Ambonese onderofficier van de wacht op: "Soeten", lispelt hij "jij baal hooi hebt niet eens gemerkt dat ik drie keer vlak achter je stond."

 

Aan Soeten, een schoolmeester van de oude stempel, durft Speerstra te vragen: "Wat deden jullie daar eigenlijk in Indië?"
"Meedoen aan een zinloze politieke en bestuurlijke prestigestrijd. Waarvan we ook nog eens niets geleerd hebben. En verder heb ik geprobeerd ons personeel van vieze ziekten af te helpen, ik heb lange rijen inlanders zo kort mogelijk op hun beurt voor de ziekenboeg laten wachten en ze aan medicijnen geholpen. Maar een paar kilometer verderop waren we oorlog aan het voeren en oorlog is foute boel."

 

Weigeraar
Bij soldaat Jan Friso (1925) gaat moeten tegen de natuur in. Bovendien: "Inderdaad wilde ik eens aan mijzelf toekomen, een eigen leven opbouwen, samen met mijn toekomstige vrouw Antje Wiersma uit Akkrum. De tegenslagen bij ons thuis, die rotcrisisjaren, die rotoorlog. Indië was voor mij een onverteerbaar nagerecht." Na een week trainen in Assen besluit hij niet terug te komen van de tien dagen inschepingsverlof en als Willem de varkensrijder te blijven zitten waar hij zat. Er wordt een list bedacht om de groeiende stroom weigeraars alsnog aan boord te krijgen, maar Jan Friso bedenkt zich niet. Hij betreurt het feit van de oneerlijkheid bij de krijgsraad. Waarom krijgt hij vier jaar gevangenisstraf en komt de zoon van chocoladefabrikant Droste al na negen dagen vrij?

 

Soms komt de informatie via een omweg en is er een spiegelinformant nodig om het juiste verhaal bij de juiste mens te krijgen. Jeff, zoon van Sjoerd Stapensae, heeft zijn vader nooit gekend. Jeff is al een gepensioneerd neurobioloog, wanneer Speerstra een kameraad van Sjoerd op het spoor komt: de achtentachtigjarige Joep Strating. Strating vertelt hoe zijn vader een dialoog voerde met sergeant-majoor Smit. Sjoerd kreeg opdracht een kamponghuis in de fik te steken.

 

"Dat doe ik niet", zei Sjoerd. "Wat?", bulderde Smit. "Dat doe ik niet", herhaalde Sjoerd (...). "Ik sleep je voor de krijgsraad", blafte Smit. "Sergeant-majoor!" Sjoerd deed nog een goedbedoelde poging. "In dat huis zitten heel misschien een paar ploppers, maar ik heb met eigen ogen waargenomen dat er in ieder geval een paar vrouwen met een grote groep kinderen in bivakkeren." "Jij hangt Stapensae, ik sleep je voor de krijgsraad." "Dan zien we elkaar daar weer!"

 

Speerstra noemt zijn manier van schrijven 'nieuwe journalistiek'. In 1968 past hij deze werkwijze voor het eerst toe in zijn bundel schippersverhalen 'Heil om seil'. Het gaat niet alleen om de weergave van het vertelde pur sang, nee, Speerstra mengt het verhaal met zijn eigen gedachten en vult aan met fictie waar feiten ontbreken. De aanpak van de auteur komt ten goede aan het verhaal, want hij heeft hart voor zijn verteller en zijn werk en zo wordt het geheel naar een hoger, een literair, plan getild.

 

In deze laatste bundel, waarin de feiten fictie trouwens overbodig maken, komt Speerstra's manier van verhalen maken duidelijk tot uiting: onverschrokken journalistiek, opgetekend met een koel hoofd en een warm hart. Speerstra is zeker niet te laat met het interviewen van de Indië-veteranen. De jongens van toen, geboren rond 1926, hebben lang gezwegen over hun militair tropenverleden, hebben decennialang een last getorst. Als ze op hoge leeftijd bereid zijn hun innerlijk te openbaren, is daar Speerstra met zijn luisterend oor.

 

Hylke Speerstra: 'Op klompen door de dessa, oud-Indiëgangers vertellen'
ISBN 978 90 450 2884 2 317
prijs € 21,99
paperback, geïllustreerd, 317 blz.
 

↑ top